Nelleke Groenewegen, bestuurder van Stichting Jeugdinterventies

Jeugdzorg: Afscheid Nelleke Groenewegen

‘Mijn naïviteit is weg, maar de hoop is gebleven’

Nabijheid & vertrouwen: over de toekomst van de jeugdzorg

Portret van Nelleke Groenewegen

Nelleke Groenewegen is bestuurder van Stichting Jeugdinterventies (SJI), een opleidingsinstituut dat effectief systemisch werken binnen de jeugdhulp mogelijk maakt in Nederland en vijf andere landen in Europa.

Hoewel ze ‘nog lang niet klaar is’, neemt Nelleke op 18 april 2024 afscheid. In dit interview zet ze haar visie op de toekomst van de jeugdzorg uiteen.

Verkeerde verdieping

Als Nelleke zich op haar 23e wil inschrijven voor een studie Nederlands aan de Lerarenopleiding, stapt ze op de Hogeschool op de verkeerde verdieping uit de lift en belandt op de afdeling Pedagogiek. Na wat nieuwsgierig rondkijken, is de keuze voor een totaal andere studie snel gemaakt. Ze is op dat moment al moeder van twee kinderen en een pleegkind en denkt: dit gaat over de ontwikkeling van kinderen, deze studie kan ik prima gebruiken.

Na ook nog een universitaire studie Pedagogiek, is haar eerste baan bij de GGD in Rotterdam waar ze verslavingspreventieprojecten begeleidt. Daar ontwikkelt ze zelf voorlichtingsmateriaal. ‘Als ik toch eerst een studie Nederlands was begonnen, was ik uiteindelijk via die talige kant van mij ook bij de jeugdzorg terecht gekomen’, vermoedt ze.

Niet goed genoeg

Er volgt een managementfunctie bij de grootste verslavingszorgorganisatie van Nederland Noavdic-Kentron en daarna wordt Nelleke directeur bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Een draai die niet voor de hand ligt, maar ze is er inmiddels achter dat ze niet op de eerste plaats vanuit de inhoud een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de zorg. Ze wil meer vanuit een strategische rol invloed proberen uit te oefenen.

‘De rode draad in mijn leven is dat ik eigenwijs ben en de dingen niet snel goed genoeg vind.’ De pleegzorg vindt ze niet goed genoeg, net zomin als de begeleiding van pleegouders.

Door haar eigen pleegouderschap (haar gezin begeleidt vijf pleegkinderen in totaal) leert ze het zorgstelsel goed kennen en krijgt ze zicht op het vakmanschap van professionals.

Ze ziet veel ruimte voor verbetering. Bij de VNG gaat Nelleke het gesprek aan met wethouders van onderwijs & zorg en van arbeidsmarkt & re-integratie. Ze legt hen de vraag voor wat er nodig is in de verschillende gemeenten op het gebied van jeugdzorg. Op basis van die gesprekken wordt beleid geschreven, wat dan - we schrijven 2005 - een hele nieuwe aanpak is.

Heksenkring

Om haar toekomstvisie in een notendop te schetsen, stelt Nelleke het stelsel van de jeugdzorg voor als een kring paddenstoelen. Iedere paddenstoel vertegenwoordigt een andere speler en al die zwammen zijn door schimmels en sporen in de grond met elkaar verbonden. Ze wisselen informatie uit, zorgen voor elkaar, vormen een levend systeem. De cliënten en de gezinnen daaromheen, zijn ook paddenstoelen, ze maken deel uit van die kring - ze zijn niet langer object maar subject - net als de hulpverleners, de beleidsmakers, de bestuurders en wetenschappers. Volgens Nelleke moet het stelsel van de jeugdzorg op dezelfde manier benaderd worden als SJI zijn cliënten en kinderen in gezinnen benadert. Zij maken deel uit van een systeem en om hun problemen op te lossen, moet je je bewust zijn van en aandacht besteden aan de context. ‘Zelfs als familieleden elkaar de tent uitvechten, wanneer opa nog van incest beschuldigd wordt bijvoorbeeld; je hebt het met elkaar te doen. Iedereen verdient het gehoord te worden.’

‘Niemand voelt zich voor het geheel verantwoordelijk’ - Nelleke Groenewegen

Belangrijk is dat alle spelers in het systeem van de jeugdzorg elkaar leren kennen, net zoals je in gezinnen de tijd moet nemen om goed met elkaar kennis te maken. Maar het stelsel heeft zich zo ontwikkeld dat de spelers daarvoor niet de kans krijgen; ze zijn elkaars concurrent geworden. Ook de opleidingsinstituten. In plaats dat ze samenwerken, ervaringen delen en van elkaar leren, moeten ze stuk voor stuk het wiel weer uitvinden. En niemand voelt zich voor het geheel verantwoordelijk. Ooit waren er een minister van VWS en een staatssecretaris van Veiligheid en Justitie die stelselverantwoordelijk waren. De een deed het strafrechtelijk deel (de jeugdreclassering, de jeugdbescherming, de raad voor de jeugdbescherming, nu de Veilig Thuis-organisaties), de ander deed de jeugdzorg en het welzijn van de jeugd. En die twee ‘kampen’ praatten al niet of nauwelijks met elkaar. Tegenwoordig is het nog erger, omdat meer dan driehonderd gemeenten nu verantwoordelijk zijn voor hun eigen stelseltje.

Daarmee zijn alle onderliggende weefsels doorgesneden, hoogstens zijn er een paar paddenstoelen enigszins met elkaar verbonden.

Met elkaar in gesprek gaan, ervaringen uitwisselen en van elkaar proberen te leren is volgens Nelleke de enige manier om op alle niveaus tot herstel van vertrouwen te komen. Dat is de basis voor een vruchtbare en effectieve samenwerking. We zijn samen verantwoordelijk.

Het logo van SJI is opgebouwd uit ronde vormen en dat is niet voor niets. Ze staan voor ontplooien, voor ontwikkelen van binnenuit. Opgelegde verandering van buitenaf is gedoemd te mislukken.

Broodnodige verhalen

Wat het stelsel tot op heden doet is vragen naar de verkeerde uitkomsten. Hoeveel gezinnen zijn er geholpen, hoelang duurden de trajecten en wat was de tevredenheidsscore van de cliënten? Kennisorganisatie NJI is o.a. bezig met deze vorm van kennis- en dataverzameling, met als doel de meest effectieve methoden te certificeren. ‘Je kunt wel constateren dat een bepaalde methodiek werkt, maar dan weet je nog niet waarom dat zo is en hoe het werkt.’ Verhalen verzamelen is een manier om daar wel zicht op te krijgen. Als Nelleke voor de jeugdbescherming werkt, vraagt ze zich af waarom ‘ondertoezichtstellingen’ langer duren dan er wettelijk voor staat en vraagt ze haar medewerkers om van tien zogenaamde OTS-en alle verhalen van de betrokken gezinnen uit te schrijven. Die maken de enorme administratieve rompslomp zichtbaar waar gezinnen regelmatig in verstrikt raken.

‘De cruciale vraag is wat echt van waarde is’ - Nelleke Groenewegen

Nelleke windt zich op wanneer ze beeldend vertelt hoe een gezin steeds verder ‘in de keten’ terechtkomt. Naarmate er meer verontwaardiging in haar zinnen doorsijpelt, hoor je duidelijker dat ze Rotterdamse wortels heeft: ‘Een kind valt uit op school, moeder drinkt, een wijkteam komt in actie. Als het kind na verloop van tijd zichtbaar meer verwaarloosd is, wordt Veilig Thuis ingeschakeld. Het gezin komt op een wachtlijst. Na maanden volgt een intake. Ondertussen nemen de problemen toe en wordt ‘de jeugdbescherming’ erbij gehaald. Nieuwe wachtlijst, maanden gaan voorbij. De problemen nemen verder toe en het eind van het liedje is dat er een uithuisplaatsing volgt.’ De vraag waar het volgens Nelleke om draait is wat echt van waarde is voor gezinnen. Cliënten en de betrokken gezinsleden kunnen dat prima vertellen; wat werkt, waar ze echt mee geholpen zijn, en wat niet.

Systemisch werken als vertrekpunt

Als het aan Nelleke ligt, zouden de krachtigste hulpverleners vanaf het allereerste begin in gezinnen aan de slag moeten. Hulpverleners die systemisch en contextueel kunnen werken. Die kernwaarden hanteren als: nooit oordelen en veroordelen, meervoudig stelling nemen (anders gezegd: de situatie vanuit verschillende perspectieven kunnen beschouwen) en vertrouwen opbouwen. Zorgprofessionals moeten handelingsvrijheid hebben bovendien. ‘Als het nodig is om eerst een uitkering voor een ouder in het gezin te regelen, dan moet dat kunnen. Dat kan veel urgenter zijn dan traumabehandeling regelen voor het kind’. Op die manier los je acute problemen op en bouw je krediet op. Er moet veel meer nabijheid van hulpverleners komen. De moeilijkheid is dat zulke hulpverleners er veel te weinig zijn. Systemisch werken bestaat zo’n veertig jaar in Nederland, maar is altijd een specialisatie geweest. Het zou veel meer in de basis van opleidingen verankerd moeten worden.

Ervaringen delen

Er zijn verhalen nodig. Heel veel verhalen. Verhalen kunnen inzicht bieden in hoe het stelsel werkt en waar de knelpunten liggen. Verhalen van cliënten en de bijbehorende gezinnen. Als pleegouder verbaasde Nelleke zich erover dat er over haar en haar gezin rapporten werden geschreven waar ze zich niet in herkende. Maar er zijn ook verhalen nodig van hulpverleners, van bestuurders, want ook zij lopen vast. Dat zou een mooie basis zijn voor een doorontwikkeling van het stelsel.

‘En de politiek? Die moet op haar handen gaan zitten, alleen maar luisteren en ontwikkelingen faciliteren waarover binnen het stelsel consensus bestaat. Nu is er een hervormingsagenda met allemaal losse eindjes. De agenda is vastgesteld terwijl verschillende partijen hun bijdrage daaraan nog niet hadden kunnen afronden. Daar schiet je niks mee op.

Persoonlijke bijdrage

‘Mijn bijdrage aan de ontwikkeling van de jeugdzorg is veel kleiner dan dat ik ooit gedroomd had. Zelfs als je bij een Nederlands kennisinstituut werkt, worden je adviezen niet zonder meer overgenomen. De naïviteit is er wel af, na zoveel jaren, maar de hoop is gebleven.’

Ze heeft het systemisch werken geagendeerd en is daar trots op. Dat er gezinsgericht gewerkt wordt in de jeugdbescherming is nu normaal, maar dat was het niet. ‘Er is een forse discussie geweest over de taak van de jeugdbescherming: kinderen bescherming of veiligheid bieden. Het is veel gebeurd dat jeugdzorg kinderen weghaalde uit een onveilige thuissituatie, maar de vraag is of hen daarmee bescherming geboden is.’ De verhalen van kinderen die in pleeggezinnen en in instellingen trauma hebben opgelopen, zijn talrijk. Dat het kerngezin belangrijk is, is inmiddels een breed gedragen overtuiging. De afweging moet steeds blijven of het risico van uithuisplaatsing opweegt tegen de onveiligheid in het gezin. Stut en steun verlenen, in de buurt zijn, is doorgaans de beste aanpak.

Ze is consistent en principieel gebleven. Als voorbeeld noemt Nelleke dat ze bij de jeugdbescherming niet onder stoelen of banken schoof dat de grens bereikt was, toen de uren van haar medewerkers en de methodieken onder druk kwamen te staan.

Maar er zijn ook voorbeelden op casusniveau: Zo was er een burgemeester die een kind uit huis gehaald had zonder machtiging van een kinderrechter. Dat kon echt niet.

De burgemeester wilde dat ze ‘haar mensen erop afstuurde’ maar Nelleke reageerde: Dit gaat om kind dat in een gezin zit waar al hulp is. Ouders werken mee. Dan kan het niet zo zijn, dat als buren klagen dat er weer gedonder is, een burgemeester het heft in eigen hand neemt. ‘Zat dat kind met een politieagent in een hotel.’ Ze heeft toen gedreigd de burgemeester voor ontvoering aan te klagen. Ze vindt het onnavolgbaar dat een bestuurder niet weet hoe te opereren. Dat zij op dat moment als ‘dat hysterische wijf van de jeugdbescherming’ afgeschilderd werd, interesseerde haar helemaal niks.

Boek schrijven

Voorbeelden genoeg om een boek over te schrijven. Maar Nelleke hoopt, als ze zo meteen met pensioen gaat, tijd te hebben om eerst eindelijk heel veel boeken te kunnen lezen die niet direct met haar werk te maken hebben. En ze gaat fietsen, veel fietsen. Vrijwilligerswerk doen op de methylschool van haar kleinzoon, en voor ‘De Rotterdamse Douwers’, staat ook op het programma. Vanmiddag heeft ze daarvoor haar eerste intakegesprek. Haar ogen beginnen te glimmen als ze over de organisatie vertelt, opgezet door twee voormalige werknemers van de Sociale Dienst. De Douwers zijn Rotterdammers die belangeloos mentor zijn voor jongeren die een steuntje in de rug kunnen gebruiken. En op die manier blijft Nelleke ook ná 18 april nog betrokken bij de jeugdzorg. Want eens een douwer, altijd een douwer.

Tekst: Dorothée Albers Fotografie: Aad van Vliet

Download het interview als pdf